TL;DR
- Wat: De Seattle Times en Newsday hebben een rechtszaak aangespannen tegen OpenAI en Microsoft wegens het ongeoorloofd gebruiken van hun journalistiek voor AI-training.
- Waarom relevant: Het auteursrechtdebat rond AI-training raakt ook Nederlandse uitgevers en bepaalt straks welke content jouw AI-tools wél en niet mogen gebruiken.
- Wat je ermee kunt: Controleer of de content die jij maakt of laat maken, al ergens als trainingsdata wordt gebruikt — en of je daar iets over hebt vastgelegd.
Ik viel deze week over een bericht van TechCrunch: opnieuw twee nieuwsorganisaties — de Seattle Times en Newsday — die OpenAI en Microsoft voor de rechter slepen. Op zich is dat patroon niet nieuw, maar de timing en de context maken dit bijzonder interessant. Laat me uitleggen waarom.
Wat er precies is gebeurd
Op 5 september 2026 dienden de Seattle Times Company en Newsday samen een aanklacht in bij de federale rechtbank in New York (Southern District). De kern van de zaak: OpenAI en Microsoft zouden hun gepubliceerde journalistiek hebben gebruikt om AI-modellen te trainen, zonder toestemming en zonder betaling.
De aanklacht bevat stevige taal. De kranten omschrijven generatieve AI als een "vraatzuchtige consument" van door mensen gemaakt materiaal. En ze gebruiken een opvallende metafoor: AI is volgens hen "een slang die zijn eigen staart opeet" — een systeem dat de organisaties vernietigt die juist de content produceren waarop het draait.
Wat mij hier extra opvalt, is de relatie tussen de partijen. Microsoft en OpenAI hebben in het verleden namelijk wél samengewerkt met de Seattle Times — ze hebben journalistieke projecten en fellowships gefinancierd. Dat maakt deze rechtszaak een stuk complexer dan een simpel "groot techbedrijf versus lokale krant"-verhaal. Een woordvoerder van Microsoft liet weten verrast te zijn door de aanklacht, maar zei dat het bedrijf "altijd bereid is om samen naar oplossingen te zoeken."
De Amerikaanse overheid kiest een kant
Wat deze week extra opvallend maakt, is dat het Amerikaanse ministerie van Justitie (DOJ) een paar dagen eerder — op 1 september — een zogeheten statement of interest indiende in de al langer lopende zaak van de New York Times tegen OpenAI. In dat document stelt het DOJ dat het trainen van AI-modellen op auteursrechtelijk beschermd materiaal in principe als fair use kan worden beschouwd.
Dat is een groot woord: fair use (redelijk gebruik) is een Amerikaans juridisch concept dat onder bepaalde voorwaarden toestaat om auteursrechtelijk beschermd werk te gebruiken zonder toestemming. Het DOJ beargumenteert dat AI-training "buitengewoon transformatief" is, omdat een model een artikel niet gebruikt om lezers te informeren of te vermaken zoals de auteur bedoelde. In plaats daarvan worden teksten omgezet in numerieke representaties — wiskundige patronen — waaruit het model statistische verbanden leert.
Ik vind het eerlijk gezegd opmerkelijk dat de overheid hier zo'n duidelijke positie inneemt. Tegelijkertijd: het DOJ benadrukt zelf dat zo'n statement of interest geen bindende juridische kracht heeft. Het is meer een signaal dan een vonnis. Maar het is wél de eerste keer dat de Amerikaanse federale overheid zich formeel uitspreekt in de reeks auteursrechtzaken tegen AI-bedrijven.
Een kanttekening bij de DOJ-positie
Meerdere juridische commentatoren — onder meer op Above the Law — wijzen erop dat de timing vragen oproept. De Amerikaanse overheid zou volgens berichten tegelijkertijd betrokken zijn bij gesprekken over een financieel belang in OpenAI. Dat is op dit moment niet bevestigd als feit, maar het laat zien dat de positie van het DOJ niet in een vacuüm bestaat. Als je dit soort ontwikkelingen volgt, is het goed om te weten dat er meerdere belangen door elkaar lopen.
Wat betekent dit in Europa en Nederland?
Kun je je voorstellen wat dit debat betekent als je als ondernemer content maakt — of laat maken — en die ergens online staat?
In Europa loopt de discussie langs andere juridische lijnen dan in de VS. Het Europees Parlement heeft in 2026 aangegeven dat er duidelijke regels moeten komen: AI-aanbieders zouden gedetailleerde lijsten moeten publiceren van alle auteursrechtelijk beschermde werken die ze voor training gebruiken. Dat is een wezenlijk andere benadering dan het Amerikaanse fair use-principe.
Ook in Nederland beweegt er het nodige. De Nederlandse Uitgeversorganisatie (NUV) heeft volgens berichten in 2026 een collectieve claim ingediend tegen diverse AI-aanbieders voor vergoeding van trainingsgebruik van Nederlandse publicaties. Daarnaast is er Bookpact.ai, een initiatief van onder andere Lannoo Groep, VBK, WPG en Maven Publishing, waarbij auteurs en uitgevers vooraf kunnen bepalen of en hoe hun werk door AI-partijen mag worden gebruikt.
Ik denk dat dit voor Nederlandse ondernemers op twee manieren relevant is:
Als maker van content. Publiceer je blogs, artikelen, whitepapers of andere teksten? Dan is er een reële kans dat die al ergens als trainingsdata zijn meegenomen. Of je daar blij mee bent of niet — het is goed om te weten wat je rechten zijn en of je iets hebt vastgelegd in je voorwaarden.
Als gebruiker van AI-tools. De uitkomst van dit soort rechtszaken bepaalt straks welke data AI-modellen wél en niet mogen bevatten. Stel dat je als ondernemer een AI-tool inzet voor marktonderzoek of contentcreatie — dan wil je weten of die tool juridisch op solide grond staat.
Een patroon dat zich herhaalt
De rechtszaak van Seattle Times en Newsday staat niet op zichzelf. De New York Times begon eind 2023 met een vergelijkbare zaak. Sindsdien zijn er tientallen rechtszaken bijgekomen, van individuele auteurs tot grote mediabedrijven. Tegelijkertijd hebben andere uitgevers — denk aan Associated Press en sommige Europese mediabedrijven — juist licentieovereenkomsten gesloten met OpenAI.
Wat je hier ziet ontstaan is een tweedeling: een groep die vecht en een groep die onderhandelt. Beide strategieën hebben voor- en nadelen. Wie nu een rechtszaak aanspant, hoopt op een precedent dat de regels voor de hele industrie vastlegt. Wie een licentiedeal sluit, pakt nu inkomsten maar accepteert daarmee impliciet dat het trainen op hun content — mits betaald — legitiem is.
Ik vind het interessant om te zien dat dit patroon zich ook in andere sectoren begint af te tekenen. Muziekrechten, beeldrechten, softwarecode — overal speelt dezelfde kernvraag: mag je auteursrechtelijk beschermd werk gebruiken om een AI-systeem te trainen, en zo ja, onder welke voorwaarden?
Een steeds groter speelveld
Voor mij is deze ontwikkeling vooral een signaal dat het auteursrechtdebat rond AI nog lang niet is uitgekristalliseerd. Er zijn nieuwe rechtszaken, er zijn overheden die positie kiezen, er zijn branche-initiatieven die proberen het via afspraken te regelen. En dat allemaal tegelijk.
Als ondernemer hoef je niet elke rechtszaak te volgen. Maar het is wel verstandig om af en toe stil te staan bij de vraag: wie heeft er eigenlijk iets te zeggen over de content die ik maak? En als ik AI-tools gebruik die op andermans content zijn getraind — wat betekent dat voor mij als er straks een uitspraak komt die de spelregels verandert?
Dat is geen theoretische vraag meer. Dat is een bedrijfsrisico waar je nu al over kunt nadenken.
80% van de AI-projecten haalt productie nooit.
Ik bouw de 20% — van prototype naar draaiend systeem, binnen weken.