TL;DR
- Wat: Google stuurt vandaag vier TPU-chips in een sateliet de ruimte in om te testen of AI-berekeningen op zonne-energie in een baan om de aarde kunnen draaien.
- Waarom relevant: Energie is nu al een knelpunt voor AI-datacenters in Nederland en Europa — dit experiment onderzoekt een alternatief dat op termijn de druk op het stroomnet kan verlichten.
- Wat je ermee kunt: Houd in de gaten hoe energiekosten voor AI-diensten zich de komende jaren ontwikkelen; dat raakt indirect ook de prijs die jij betaalt voor cloud- en AI-tools.
Ik viel vanochtend over een tweet van @StockSavvyShay die meldde dat Google vier TPU-chips de ruimte in stuurt. Dat klinkt als sciencefiction, maar het blijkt een concreet experiment te zijn dat vandaag — 1 oktober 2026 — daadwerkelijk gelanceerd wordt. En het raakt een thema dat ik steeds vaker zie terugkomen: de grenzen van energie voor AI.
Wat er precies gebeurt
Een satelliet ter grootte van een koelkast, gebouwd door Planet Labs, gaat mee met een SpaceX Falcon 9-raket vanaf Vandenberg Space Force Base in Californië. Aan boord zitten vier van Google's Trillium-generatie TPU's — dat zijn chips die speciaal ontworpen zijn voor AI-berekeningen, vergelijkbaar met GPU's van Nvidia maar dan Google's eigen ontwerp.
De missie maakt deel uit van Transporter-18, een vlucht waarop meerdere kleine satellieten tegelijk worden gelanceerd. Google noemt de satelliet intern "MVP", en dat is een toepasselijke naam: het is een minimaal prototype om te testen of de hardware überhaupt overleeft in de ruimte.
Dit is de eerste fysieke stap van Project Suncatcher, een onderzoeksproject dat Google in november 2025 aankondigde.
Vijftien minuten rekenen, dan afkoelen
Wat mij hier opvalt is hoe bescheiden de test eigenlijk is. De satelliet heeft ongeveer één kilowatt aan zonne-energie beschikbaar — genoeg om een broodrooster te laten draaien. De TPU's kunnen korte AI-taken uitvoeren, volgens bronnen gaat het om eenvoudige Gemini-queries, maar na zo'n vijftien minuten moeten ze uitgeschakeld worden om af te koelen.
Dat klinkt misschien teleurstellend, maar er zit een logische reden achter. In de ruimte is geen lucht. Geen lucht betekent geen convectie, en dus geen makkelijke manier om warmte af te voeren. Bovendien is er kosmische straling die chips kan beschadigen. Dit experiment draait dan ook niet om prestaties, maar om een fundamentele vraag: kunnen AI-chips überhaupt functioneren in een baan om de aarde?
Ik vind het eerlijk gezegd fascinerend dat we op het punt staan waar dat daadwerkelijk getest wordt. Niet als gedachte-experiment, maar met echte hardware op een echte raket.
De rekening: waarom het nu nog niet kan
Hier wordt het interessant voor wie naar de zakelijke kant kijkt. Op dit moment kost het lanceren van vracht naar een lage aardbaan (LEO) ongeveer 3.600 dollar per kilogram met een Falcon 9. Bij die prijs is een datacenter in de ruimte financieel onhaalbaar.
Google's eigen berekeningen, gepubliceerd in een wetenschappelijk paper, stellen dat het pas economisch interessant wordt als de lanceerkosten dalen naar rond de 200 dollar per kilogram. Dat is een factor achttien goedkoper dan nu.
De hoop is gevestigd op SpaceX's Starship. Als die raket voldoende hergebruikt kan worden — we praten dan over tien tot honderd keer opnieuw lanceren met dezelfde onderdelen — dan zouden de kosten per kilogram volgens analyses kunnen zakken naar 60 dollar of zelfs 15 dollar. Maar dat vereist volgens schattingen zo'n 180 Starship-lanceringen per jaar, en dat is een tempo dat nog nergens in de buurt komt van de huidige realiteit.
Een volledig operationeel orbitaal datacenter van 1 gigawatt zou volgens berekeningen zo'n 42 miljard dollar kosten — bijna drie keer zoveel als een vergelijkbaar datacenter op aarde. Ik denk dat je dit moet zien als een weddenschap op de toekomst, niet als een plan dat morgen werkelijkheid wordt.
Waarom energie de kern van het verhaal is
Maar waarom zou Google überhaupt nadenken over datacenters in de ruimte? Het antwoord is simpeler dan je misschien denkt: energie.
In de ruimte schijnt de zon bijna continu. Zonnepanelen in een baan om de aarde genereren tot acht keer meer energie dan op het aardoppervlak. Geen wolken, geen nacht (of althans: veel kortere periodes in schaduw), geen concurrentie met huishoudens om stroom.
Dat laatste punt raakt direct aan de Nederlandse situatie. Google heeft een groot datacenter in Eemshaven, Groningen. En zowel Microsoft als Google hebben aangegeven dat de energie-infrastructuur in Europa een rem zet op hun AI-ambities. Netcongestie — het stroomnet zit vol — is in Nederland al jaren een probleem. Niet alleen voor techbedrijven, ook voor MKB-ondernemers die een nieuwe locatie willen aansluiten.
Kun je je voorstellen wat het betekent als een deel van die rekendruk op termijn verplaatst wordt naar de ruimte? Het klinkt vergezocht, maar het idee erachter is concreet: minder druk op het aardse stroomnet, minder concurrentie om schaarse energie.
De volledige visie: 81 satellieten in formatie
Google's eindvisie voor Suncatcher gaat veel verder dan vier chips in een koelkast-satelliet. Het onderzoekspaper beschrijft clusters van 81 satellieten die binnen een straal van één kilometer vliegen op zo'n 650 kilometer hoogte. Die satellieten communiceren onderling via lasers — zogeheten free-space optical links — en vormen samen één gedistribueerd datacenter.
Stel dat je als ondernemer een AI-model wilt trainen. In deze visie zou een deel van die rekenkracht niet uit een gebouw in Iowa of Groningen komen, maar uit een zwerm satellieten die boven je hoofd cirkelt. Het is een denkbare situatie, maar er zitten nog enorme technische en logistieke uitdagingen tussen nu en dat punt.
Google erkent dat ook. Dit is nadrukkelijk een onderzoeksproject, geen productaankondiging.
Wat dit voor ondernemers betekent — en wat niet
Laat ik eerlijk zijn: als MKB-ondernemer ga je morgen niet bellen met Google om rekentijd in de ruimte in te kopen. Dat is niet waar dit over gaat.
Waar het wél over gaat is een trend die ik steeds duidelijker zie worden. De grote techbedrijven lopen tegen fysieke grenzen aan: er is niet genoeg stroom, niet genoeg koeling, niet genoeg ruimte op aarde om de AI-systemen te laten groeien die ze willen bouwen. En dat drijft ze naar oplossingen die vijf jaar geleden absurd zouden klinken.
Voor jou als ondernemer is het relevantste signaal dit: de kosten van AI-diensten worden de komende jaren steeds sterker bepaald door energiekosten. Als je nu al betaalt voor cloud-AI via Google, Microsoft of Amazon, dan zit er indirect een energierekening in die prijs verwerkt. Hoe die energievraag wordt opgelost — op aarde of in de ruimte — bepaalt mede wat jij straks betaalt.
Voor mij is dit vooral een signaal dat de AI-sector op een kantelpunt zit. Niet qua wat de modellen kunnen, maar qua wat de infrastructuur aankan. En soms moet je heel ver weg kijken — letterlijk de ruimte in — om te zien waar de grenzen van een technologie écht liggen.
80% van de AI-projecten haalt productie nooit.
Ik bouw de 20% — van prototype naar draaiend systeem, binnen weken.